Home

Valerianus

Nadat Valerianus tot keizer was uitgeroepen was het zijn taak om de verdediging van het langs alle kanten bedreigde rijk op zich te nemen. Hij had het voordeel dat hij een volwassen zoon had (Gallienus) die hij dan ook al snel medekeizer maakte. Zo kon de verdediging van het rijk tussen hen beiden worden verdeeld waarbij het er in de praktijk op neer kwam dat Valerianus het oostelijk deel voor zijn rekening nam en Gallienus het westelijk deel. De schrijver Zosimus beschreef de situatie kort na hun aantreden als volgt:

'Terwijl Valerianus met ieders instemming keizer was geworden vielen de Scythen [over de Ister] en de Marcomannen de omringende provincies van het rijk binnen. Thessalonica kwam in groot gevaar maar dankzij de dappere verdediging kon de stad niet genomen worden. Desondanks was heel Griekenland in staat van alarm. De burgers van Athene repareerden hun verdedigingsmuur waarvan zij dachten dat hij niet meer nodig zou zijn sinds de dagen dat Sylla [Sulla] hem neer had gehaald. De bevolking van de Peleponnesus fortificeerde de Isthmus en heel Griekenland mobiliseerde zich ter verdediging'.

Ook Zonaras maakte melding van deze gebeurtenissen en schreef:

'Valerianus, die het hele rijk in gevaar zag, associeerde zijn zoon Gallienus met hem in de regering en ging zelf naar het oosten om de Perzen aan te pakken. Hij vertrouwde zijn zoon de troepen van het westen toe en gaf hem de taak de barbaren tegen te houden die langs alle kanten binnen vielen'.

De schrijver Malalas schreef dat Gallienus gelijk na zijn aantreden naar het oosten ging om de Perzen aan te pakken maar dat moet natuurlijk Valerianus zijn. Georgius Syncellus weet vrijwel hetzelfde als Zosimus en Zonaras te vermelden:

'Onder de regering van Valerianus en Gallienus staken de Scythen wederom de rivier de Istro over en Thracia binnen, Thessalonica werd geplunderd, de steden van Illyricum belegerd. Evenwel door de betoonde moed van diegenen die de steden met kracht verdedigden zijn zij verdreven. In Griekenland werd uit vrees voor vernietiging van Thermopylas iedereen elders opgevangen, de muren van Athene, die sinds de tijd van Syllae [=Sulla] in onbruik waren geraakt, werden gerestaureerd. Langs de kust van de Peleponnesus aan de zee van Isthmum werd een opgestapelde muur opgetrokken. De Scythen keerden overladen met buit terug naar huis'.

Valerianus en Gallienus waren intussen ook in het oosten bekend geworden en geaccepteerd waarna te Alexandrië (Egypte) en Antiochië (Syrië) een muntslag op hun naam is begonnen. Te Antiochië moet, ondanks dat de stad en een groot deel van het oosten na de aanval en plundering door de Perzen in een deplorabele toestand verkeerde, ergens tussen september en december 253 de muntslag hervat zijn. Er is namelijk een eerste emissie antoniniani bekend die qua uitvoering aansluit aan de laatste emissie van Gallus. Het portret is ook hier van een identieke groffe uitvoering en één type op naam van Valerianus uit deze emissie draagt op de keerzijde een datering: TRP II COS. Deze datering komt overeen met de periode september t/m 31 december 253. Deze gedateerde emissie heeft op de voorzijde de tekst IMP C P LIC VALERIANVS AVG. De antoniniani van deze eerste emissie zijn in het verleden wel aan Viminacium toegeschreven. Metcalf (1977) schrijft deze emissie in navolging van Carson toe aan een latere emissie. Zij stellen dat de emissie met de voorzijde tekst IMP C P LIC VALERIANVS PF AVG de eerste emissie moet zijn omdat deze geen equivalenten kent op naam van Gallienus en een uitgebreide voorzijde tekst meestal eerder in de regering voorkomt dan een korte tekst. Göbl was hier fel tegen omdat nergens een eerste emissie is begonnen met de toevoeging PF. Deze is voor Valerianus en Gallienus te Rome pas aantoonbaar sinds het jaar 255 en komt ook in Keulen nog voor rond 257/258. Naast de emissies van Antiochië moeten sinds ca. 254 ook munten zijn geslagen in een tweede munthuis. Deze wijken qua uitvoering duidelijk af van die geslagen te Antiochië. De munten uit dit munthuis en de mogelijke lokaties van deze munt worden besproken bij 'Valerianus en het oosten'.

Het vertrek van Valerianus naar het oosten kan naar mijn mening gedateerd worden aan het eind van 253 of het begin van 254. Göbl dacht dat dit pas in de loop van het jaar 255 geweest moet zijn omdat toen pas gouden aurei zijn gemunt op zijn naam in een munt welke hij in Samosata plaatst. Verder was hij van mening dat Valerianus toen nog in Rome aanwezig moet zijn geweest om het consulschap te aanvaarden en de aanstelling van zijn kleinzoon Valerianus II als Caesar bij te wonen welke gebeurtenis hij aan het begin van 255 plaatste. Zelf denk ik dat Valerianus niet zo lang heeft gewacht met zijn vertrek naar het oosten. Er was daar dringend behoefte aan een keizerlijke aanwezigheid vanwege de daar heersende chaos en de aangebrachte verwoestingen door de inval van de Perzen. Tevens was er het gevaar dat Uranius Antoninus vanuit Emesa steeds meer vaste voet aan de grond zou kunnen krijgen als usurpator. Een bewijs dat Valerianus in februari 255 reeds in het oosten aanwezig was is een brief van hem verzonden vanuit Antiochië aan de stad Philadelphia (Christol 1997).

Eenmaal in het oosten aangekomen moest Valerianus het zwaar getroffen Antiochië herstellen. Malalas weet te melden dat de betaling van belastingen voor 4 jaar werd opgeschort en hij een tempel liet bouwen in Emesa. Dit laatste is opmerkelijk want Emesa was niet ingenomen door de Perzen dus van verwoesting kan eigenlijk geen sprake zijn geweest. Waarschijnlijk is deze tempel gebouwd om de goden, het volk van Emesa en Uranius Antoninus gunstig te stemmen. Hij werd hartelijk bedankt voor zijn inzet maar hem werd waarschijnlijk ook vriendelijk doch dringend aangeraden om zijn ambities te laten rusten en zijn muntslag te staken. Mogelijk heeft Valerianus het munthuis te Emesa vervolgens in gebruik genomen voor zijn eigen doeleinden.

Hier onder zijn twee uiterst zeldzame munten afgebeeld op naam van Uranius Antoninus of Sulpicius Antoninus zoals hij hier genoemd word. Op beide munten is de tempel van de zon afgebeeld te Emesa waarvan één ook met de heilige steen zichtbaar. De heilige steen was een grote zwarte konusvormige steen beschermd door een adelaar. In de derde eeuw geloofde men reeds dat het mogelijk een meteoriet was. Hij werd de zwarte steen van Emesa genoemd en speelde een rol in de plaatselijke zonnecultus van de priester-koningen van de zonnegod El Gebal. In het oosten werd een dergelijke steen wel een Beth-El (huis van god) genoemd. De Romeinse keizer Elagabalus was voorheen priester-koning van Emesa en probeerde eenmaal keizer van Rome geworden om zijn zonnegod onder de Latijnse naam Deus Sol Invictus tot Romeins oppergod te promoveren. Elagabalus liet de heilige zwarte steen van Emesa met veel ceremonie uit Syrië naar Rome overbrengen en in 221 in de door hem gebouwde Tempel van Elagabal plaatsen. Na zijn dood zwakte zijn neef en opvolger Severus Alexander deze introductie van de zonnegod af en droeg de tempel op aan Jupiter. Onder zijn regering schijnt de steen weer te zijn terug gebracht naar Emesa.

Syria, Seleucis en Pieria. Brons geslagen op naam van Uranius Antoninus geslagen te Emesa. Gedateerd met het jaar 565 van de tijdrekening van Seleucia (=253/254).

Voorzijde: bebaard portret van Uranius Antoninus naar rechts gekleed in mantel en borstpantser.

Tekst: AYTO K COYΛΠ ANTШNINOC CE (Autokrator Kaisar Soulpicius Antoninos sebastos)

Keerzijde: De tempel van de zonnecultus El-Gabal te Emesa voorzien van zuilengallerijen. In de voorgevel een halve maan.

Tekst: EMI – CΩN - KOΛΩ en onder de afsnede ЄΞΦ (=565).

Syria, Seleucis en Pieria. Brons geslagen op naam van Uranius Antoninus geslagen te Emesa. Gedateerd met het jaar 565 van de tijdrekening van Seleucia (=253/254).

Voorzijde: Bebaard portret van Uranius Antoninus naar rechts gekleed in mantel en borstpantser.

Tekst: AYTO K COYΛΠ ANTШNINOC CE (Autokrator Kaisar Soulpicius Antoninos sebastos)

Keerzijde: De tempel van de zonnecultus van El-Gabal te Emesa met daarin de heilige konische steen van Emesa versierd met een adelaar. Bij de steen zijn waarschijnlijk twee zogenaamde semeia of semeion geplaatst, standaarden behorende bij een cultus en veel gebruikt in het oosten (Rowan 2005). Zij worden ook wel beschreven als parasols.

Tekst: EMICΩN - KOΛΩN en onder de afsnede ЄΞΦ (=565).


Het is niet echt 100% zeker of Valerianus ooit vanuit het oosten is teruggekeerd naar Rome. Hiervoor zijn wel enkele epigrafische aanwijzingen die verderop worden besproken. Als hij is teruggekeerd dan kan dat mogelijk laat in het jaar 256 zijn geweest of vroeg in 257. Inmiddels was toen Valerianus junior, de oudste zoon van Gallienus tot Caesar benoemd. De Historia Augusta vermeldt foutief dat hij een jongere broer was van Gallienus maar van een andere moeder. Dat de jonge Valerianus reeds in 255 als Caesar werd aangesteld zoals Göbl stelt, zou af te leiden moeten zijn uit een muntslag van tetradrachmen voor hem te Alexandrië in dat jaar. Van een dergelijk vroeg exemplaar voorzien van de jaaraanduiding B (254-255) heb ik echter nog geen afbeelding gevonden, ook niet van een exemplaar voorzien van de jaarletter Γ uit het jaar daarop (255-256). Göbl vermeld een papyrus (corpus papyrorum raineri 176) waarin hij in 255 als Caesar wordt vermeld waardoor hij aanneemt dat hij misschien op 1 januari 255 Caesar werd gelijktijdig met het aanvaarden van het consulschap van Valerianus en Gallienus. De meeste onderzoekers nemen echter aan dat Valerianus junior halverwege het jaar 256 als Caesar werd aangesteld, ook diegenen die bekend zijn met de publicatie van Göbl. Hij wordt volgens Christol (1997) voor het eerst in september/oktober 256 in papyri genoemd (BGU, 945). Valerianus en Gallienus werden voor het laatst zonder bijvoeging van zijn naam genoemd op 29 augustus 256 (papyrus OXY 2714).

Er zijn enkele epigrafische aanwijzingen dat Valerianus in 257 in Rome geweest kan zijn en langs de Rijngrens in Keulen aanwezig is geweest. In de codex Justinianus is een wet opgenomen op naam van Valerianus en Gallienus waarbij melding wordt gemaakt van Rome en de datum oktober 257 (Christol 1997). Te Keulen is op een boog van een poort de inscriptie C C A A Valeriana Gallieniana gevonden (CIL XIII, 8261) wat mogelijk een aanwijzing is dat deze geplaatst is na een visite van de keizers en een opdracht tot versterking van de verdedigingswerken rond de stad (Gricourt en Hollard 2010, 131). Ook is een brief bekend geworden die is gevonden te Aphrodisias en uit waarschijnlijk augustus 257 dateert. Hierin is prake dat deze is verzonden vanuit Keulen (Christol 1997, 249). Als Valerianus werkelijk in 257 in Rome en Keulen aanwezig is geweest dan is dit waarschijnlijk na het afslaan van een hernieuwde aanval van de Perzen geweest. In 256 werd Dura Europos belegerd en verwoest waarna een Romeins tegenoffensief moet zijn ingezet. De Perzen zijn in dat jaar niet verder opgerukt en er verschenen antoniniani met de tekst VICTORIA PARTHICA. Ook op naam van Valerianus junior zijn aardig wat munten geslagen die een dergelijke overwinning vieren. Mogelijk is de jonge Caesar gelijk na zijn aanstelling een tijdje in het oosten geweest bij zijn grootvader om ervaring op te doen of men liet hem op de muntslag op zijn naam alleen meedelen in de overwinning. In het jaar 258 is Valerianus weer aanwijsbaar aanwezig in Antiochië. Een wet in de codex Justinianus maakt dan melding van Antiochië en de datum mei 258 (Christol 1997).

Gallienus

Het is niet zeker op welk deel van het rijk Gallienus het eerst zijn aandacht heeft gevestigd. Zowel in Illyricum langs de Donau als in het westen langs de Rijn was het onrustig en vielen Germaanse stammen het rijk binnen. Franken en Alamannen zijn waarschijnlijk in het begin van 254 begonnen met hun invallen in het Rijngebied. De grens hier moet verzwakt zijn geraakt toen Valerianus met de vexillationes van de in Britannië en Germanië gelegerde legioenen Italië binnen trok om Aemilianus aan te pakken. Delen van deze vexillationes en van de legioenen uit Illyricum zal hij vervolgens met zich mee genomen hebben naar het oosten waardoor ook de Donaugrens verzwakte en ook daar Germaanse stammen binnen vielen. Zosimos schreef over deze periode:

'de Germanen waren de meest lastige vijanden en vielen Gallia binnen langs de Rijn. Daarom marcheerde Gallienus daar in eigen persoon naar toe. Zijn generaals gaf hij opdracht om met hun legers alle overige vijanden aan te vallen die Italië, Illyricum of Griekenland zouden binnen vallen. Langs de Rijn probeerde Gallienus de Germanen tegen te houden of hij viel ze aan als zij reeds waren overgestoken. Maar omdat hij met manschappen in de minderheid was en niet goed wist hoe hij dit verder moest aanpakken ging hij een verbond aan met een van de Germaanse hoofdmannen. Met deze hulp wist hij niet alleen te voorkomen dat de barbaren de Rijn over staken maar vermeed zo ook de inzet van extra hulptroepen'.

Uit deze passage is niet af te lezen of Gallienus gelijk in 254 richting de Rijn ging of dat hij eerst in Illyricum orde op zaken had gesteld voordat hij die regio verder aan zijn generaals over liet. Langs de Rijngrens zijn rond 254/255 vexillationes van Britse legioenen zoals het legio XX Valeria Victrix uit Chester en mogelijk ook van het legio VI Victrix uit York aktief geweest [de Greef]. Deze hebben misschien de eerste Germaanse invallen langs de Rijn tegen gehouden tot Gallienus in 255/256 zelf naar de regio kwam. Te Keulen werd rond deze tijd een munthuis ingericht met personeel uit de munt van Viminacium. Uit de munten geslagen te Keulen blijkt dat Gallienus vooral streed tegen Germaanse stammen en uiteindelijk de titel Germanicus Maximus (V) aannam.

Hier onder twee munten uit het munthuis van Keulen. De munt was overwegend bedoeld om de soldaten van geld te voorzien, de munten hebben daarom overwegend militaire onderwerpen op de keerzijde.
Keulen, Antoninianus geslagen op naam van Gallienus.

Voorzijde: bebaard portret van Gallienus naar rechts met stralenkroon gekleed in borstpantser.

Tekst: IMP GALLIENVS AVG (Imperatus Gallienus Augustus).

Keerzijde: Godin Victoria (van de overwinning) lopende naar rechts met in de opgeheven rechterarm een overwinningskrans.

Tekst: VICT(oria) GERMANICA.
Keulen, Antoninianus geslagen op naam van Gallienus.

Voorzijde: bebaard portret van Gallienus naar links met stralenkroon. Gallienus is gekleed in een borstpantser en heeft een schild en speer vast.

Tekst: GALLIENVS AVG GERM V (Gallienus Augustus Germanicvs V).

Keerzijde: Een tropaeum gemaakt van buitgemaakte wapens. Aan de voet van het tropaeum twee zittende gevangenen met hun handen op de rug gebonden.

Tekst: GERMANICVS MAX V (Germanicus Maximus V).


Waar zijn zoon Valerianus junior rond die tijd verbleef is niet duidelijk. Er wordt wel gesteld dat Gallienus deze als zijn vertegenwoordiger achter liet in Illyricum. Zosimus vermeld zijn naam echter niet maar vermeld slechts dat Gallienus zijn generaals opdracht gaf om alle vijanden aan te pakken die de regio zouden binnen vallen. Valerianus junior is waarschijnlijk pas later in de regio gestationeerd en is hij eerst onder de hoede geweest van zijn grootvader in het oosten. Er bestaan namelijk aardig wat munten op zijn naam die te maken hebben met overwinningen op de Parthen (Perzen). Zie voor enkele voorbeelden bij Valerianus en het oosten (256-260).


Literatuur:

[Zosimus] – Historia Nova (ca. 498-518).

[Zonaras] – Epitome Historiarum (ca. 1150).

[Malalas] – Chronographia (ca. 490-570).

[Georgius Syncellus] - Chronographiae (eind 8e eeuw / begin 9e eeuw).

[Clare Rowan] - The Procession of Elagabalus and the Problem of the Parasols. Journal of the Numismatic Association of Australia, volume 17 - 2005 conference papers.

[Göbl 2000] - Die Münzprägung der Kaiser Valerianus I./Gallienus/Saloninus (253/268), Regalianus (260) und Macrianus/Quietus (260/262). MIR Bd. 36. Wien 2000.

[Christol 1997] - Les déplacements du collège impérial de 256 à 258 : Cologne, capitale impériale. In: Cahiers du Centre Gustave Glotz, 8, 1997. pp. 243-253.

[Gricourt en Hollard 2010] - Les productions monétaires de Postume en 268-269 et celles de Lélien (269). Nouvelles propositions. Numismatic chronicle 170, 2010. pp. 129-204.

[de Greef] - Romeinse muntschatten en Germaanse invallen 253-269 n.c. Een studie van de westerse schatvondsten uit de regeerperiode van Valerianus, Gallienus en Postumus. Masters thesis gepresenteerd aan de Katholieke Universiteit Leuven in juni 1999.

Home